![]() |
Na publicatie van een artikel over het kunstwerk van Tinkebell en het asfaltmeer op het Schottegat heeft Shell een uitgebreide reactie gestuurd. Daarin schetst het bedrijf zijn rol in de geschiedenis van de Isla-raffinaderij en benadrukt het dat Shell niet verantwoordelijk is voor de huidige situatie. Omdat zo’n verklaring al snel de indruk wekt dat eerdere berichtgeving feitelijk onjuist of onvolledig zou zijn, heb ik de reactie punt voor punt getoetst.
Shell begint bij de verkoop van de Isla-raffinaderij in 1985. Het klopt dat de raffinaderij op 1 oktober van dat jaar voor het symbolische bedrag van één Antilliaanse gulden werd overgedragen aan de overheid van de Nederlandse Antillen. Het klopt ook dat Shell de raffinaderij wilde sluiten vanwege structurele verliezen, onder meer door de hoge kosten van Venezolaanse ruwe olie en veranderende marktomstandigheden, en dat de overheid aandrong op voortzetting vanwege de werkgelegenheid. Deze feiten zijn niet in geschil.
Cruciale context
Maar wat in deze lezing ontbreekt, is cruciale context. De verkoop was geen schone overdracht van een probleemloos bedrijf. De raffinaderij kampte op dat moment al met verouderde installaties, bestaande milieuschade en latente saneringsverplichtingen.
In latere rapporten en parlementaire discussies is herhaaldelijk vastgesteld dat milieuverantwoordelijkheden bij de overdracht niet expliciet en afdwingbaar zijn vastgelegd. Juist dat gebrek aan borging heeft geleid tot decennialange juridische en bestuurlijke problemen.
Door de verkoop te presenteren als een afgeronde en ordelijke exit, blijft buiten beeld dat de gevolgen structureel en langdurig zijn geweest.
Aankomst van de Antilliaanse delegatie op Schiphol op 22 maart 1985. De delegatie, onder leiding van premier Liberia-Peters, is naar Nederland gekomen voor overleg over het voortbestaan van de Shell-raffinaderij op Curaçao.
Ontstaan Asfaltmeer
Ook over het ontstaan van het asfaltmeer is Shell grotendeels feitelijk correct. Het asfaltmeer ontstond tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen de raffinaderij maximaal draaide voor de productie van brandstoffen voor de geallieerden.
De verwerking van zware, zwavelrijke olie leidde tot grote hoeveelheden asfaltresidu. Dat residu werd opgeslagen in een afgesloten deel van het Schottegat, omdat opslagtanks ontoereikend waren. Historisch gezien klopt deze beschrijving.
Maar daarbij hoort een belangrijke nuance. Die opslag werd destijds als tijdelijk gepresenteerd, maar is in de praktijk permanent geworden. Er bestond geen robuust en afdwingbaar eindverwerkingsplan voor deze enorme hoeveelheid residu. Dat het asfaltmeer er tachtig jaar later nog ligt, laat zien dat het tijdelijke karakter al vroeg problematisch was.
Asfaltresidu
Shell stelt verder dat vanaf 1983 technieken beschikbaar kwamen om asfaltresidu te verwerken tot stookolie en dat tussen 1983 en 1985 ongeveer een derde van het asfaltmeer is weggewerkt. Ook dat is aannemelijk en niet strijdig met bekende documentatie. Tegelijkertijd is de suggestie dat vóór 1983 geen enkele verwerkingsmethode voorhanden was te absoluut.
Elders werden vergelijkbare residuen al verwerkt, zij het tegen hogere kosten. Bovendien was de verwachting dat het asfaltmeer binnen tien jaar zou zijn opgeruimd geen juridisch vastgelegde verplichting richting de overheid. Het ging om een verwachting, niet om een afdwingbare afspraak.
Dat de verwerking na de verkoop is gestaakt, klopt eveneens. De opvolger van Shell, de overheid van Curaçao, heeft andere keuzes gemaakt en andere prioriteiten gesteld. Maar ook hier ontbreekt context.
Die stopzetting vond plaats in een situatie van beperkte investeringscapaciteit, zwak overheidstoezicht en complexe eigendoms- en exploitatieconstructies. Dat Shell bij de overdracht geen structureel saneringsfonds of bindende verplichtingen heeft achtergelaten, maakt dat het bedrijf mede architect is geweest van de uitgangssituatie waarin latere partijen opereerden.
Sociale afwikkeling
Over de sociale afwikkeling voor medewerkers is Shell grotendeels correct. Er werd een sociaal pakket aangeboden met financiële compensatie en pensioengarantie, dat in vergelijking met andere industriële exits als relatief ruimhartig kan worden beschouwd.
Tegelijkertijd ziet dit uitsluitend op arbeidsrechtelijke verantwoordelijkheid. Het zegt niets over milieuschade, volksgezondheid of de fysieke erfenis van de raffinaderij.
Geen aangewezen gesprekspartner
Aan het eind van de reactie stelt Shell dat het bedrijf niet de aangewezen gesprekspartner is voor de huidige klachten over de raffinaderij. Juridisch is dat standpunt verdedigbaar: Shell is sinds 1985 geen exploitant meer.
Maar maatschappelijk en historisch is het omstreden. Het asfaltmeer is ontstaan tijdens Shell-exploitatie, de gekozen opslagmethode was een beslissing van Shell en de milieuschade heeft een structureel karakter gekregen.
Dat maakt dat de juridische afbakening botst met bredere opvattingen over historische milieuaansprakelijkheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven.
Selectief en defensief
De conclusie van deze factcheck is daarmee helder. De reactie van Shell bevat overwegend juiste historische feiten, maar is selectief en defensief geformuleerd. De chronologie klopt, maar cruciale context over milieuaansprakelijkheid, gebrekkige borging en langetermijneffecten ontbreekt.
De suggestie dat alle verantwoordelijkheid na 1985 volledig bij de koper ligt, is juridisch te verdedigen, maar historisch en maatschappelijk omstreden.
Of, kernachtig samengevat: de feiten kloppen, maar het verhaal is niet compleet. Het asfaltmeer is ontstaan onder verantwoordelijkheid van Shell en is zonder duurzame oplossing overgedragen. Dat gegeven blijft zichtbaar, ook als de juridische lijnen elders worden getrokken.
