WILLEMSTAD – Wie de geschiedenis van Curaçao vanuit Nederlandse archieven leest, komt woorden tegen als bijgeloof, afgoderij, toverij en bedrog. In het nieuwe boek Echoes of Africa draait onderzoeker Bob Harms die blik om. Niet de koloniale machthebber bepaalt wat een legitieme religie is, maar de mensen die hun Afrikaanse spiritualiteit onder slavernij en kolonialisme wisten te bewaren. Daardoor verschuift de aandacht van wat verloren ging naar wat uit Afrika in het Caribisch gebied bleef voortleven.
Dat verschil in perspectief lijkt misschien semantisch, maar raakt aan een veel grotere vraag. Wat gebeurt er met de geschiedenis wanneer de normen van de kolonisator niet langer het uitgangspunt zijn waarmee het gedrag van de gekoloniseerde bevolking wordt beoordeeld?
In Echoes of Africa: Afro-Creole Belief Systems of Curaçao, Bonaire and Aruba onderzoekt Harms de spirituele tradities die zich op de drie Benedenwindse eilanden ontwikkelden. Zijn uitgangspunt is dat gebruiken die eeuwenlang als folklore of bijgeloof zijn weggezet, onderdelen kunnen zijn van samenhangende kennissystemen die hun oorsprong hebben in West- en Centraal-Afrika.
Daarmee is het boek ook – en misschien juist - voor Nederlandse lezer interessant. In Nederland wordt het slavernijverleden meestal verteld vanuit slavernij zelf: handel, plantages, geweld, racisme, abolitionisme en uiteindelijk de afschaffing. Afrika verschijnt daarin dikwijls als het continent waar mensen vandaan werden gehaald.
Harms begint ergens anders. Tot slaaf gemaakte Afrikanen kwamen volgens hem niet uitsluitend met hun lichamen naar de Amerika's. Zij droegen ideeën mee over ziekte en genezing, leven en dood, voorouders, bescherming, het bovennatuurlijke en de relatie tussen de zichtbare en onzichtbare wereld.
Slavernij beroofde mensen van hun vrijheid, maar slaagde er niet in al die kennis uit te wissen.
Het archief omgedraaid
Dat wordt bijzonder zichtbaar wanneer Harms Nederlandse koloniale bronnen gebruikt.
Een rechtszaak uit 1788 beschrijft bijvoorbeeld acht mensen van Afrikaanse afkomst die op Curaçao werden vervolgd vanwege bijeenkomsten waarbij werd gedanst, muziek werd gemaakt, dieren werden geslacht, bloed een rol speelde en eten onder de deelnemers werd verdeeld.
Voor de koloniale rechtbank waren dergelijke activiteiten verdacht. Nicolaas Claasje werd publiek gegeseld, als ‘Bedrieger’ gebrandmerkt en voor altijd van Curaçao verbannen. Ook Anna Pompie, Juana Boso en Tina Gradies werden tot lijfstraffen veroordeeld. Rituele voorwerpen moesten worden verbrand en metalen objecten in zee worden gegooid.
Het bijzondere is niet dat Harms een onbekende koloniale strafzaak heeft gevonden. Het bijzondere zit in de manier waarop hij die leest.
Waar de overheid van 1788 ‘toverij’, ‘geheime kunsten’ en verstoring van de openbare orde zag, legt Harms de beschreven handelingen naast West-Afrikaanse rituele tradities. Muziek, dans, rituele slacht, gezamenlijk eten en mensen met gespecialiseerde spirituele kennis krijgen dan een andere betekenis. Wat in het koloniale dossier bewijs van bedrog is, kan tegelijkertijd een beschrijving zijn van religieuze praktijk die de autoriteiten niet als religie erkenden.
Het koloniale archief verdwijnt niet, maar verliest zijn monopolie op de verklaring.
Wie bepaalt wat religie is?
Onder Nederlands bestuur was dat monopolie zeer concreet. De koloniale overheid bepaalde welke religieuze praktijken maatschappelijk acceptabel waren. Afrikaanse rituelen vielen daarbuiten en werden aangeduid met termen als ‘bijgeloof’ en ‘afgoderij’. Christelijke kerken bezaten wel erkend religieus gezag.
Dat onderscheid was allesbehalve vrijblijvend. Harms beschrijft hoe koloniale bestuurders religie mede zagen als middel om de bevolking te disciplineren. Tegelijkertijd gebeurde iets wat vanuit Europa gemakkelijk over het hoofd wordt gezien: Afrikaanse denkbeelden verdwenen niet toen mensen katholiek werden.
Ze bewogen mee.
Heiligenbeelden, kaarsen, rozenkransen en gebeden konden worden opgenomen in een spirituele wereld waarin Afrikaanse ideeën over bescherming, genezing, voorouders en onzichtbare krachten bleven functioneren. Het resultaat was geen zuiver Afrikaanse religie en evenmin simpelweg Europees katholicisme, maar een Afro-Creoolse wereld die in het Caribisch gebied zelf ontstond.
Harms noemt onder meer de kurioso, kurandero en haladó: mensen aan wie kennis over genezing of de spirituele wereld werd toegeschreven. Er kwam op Curaçao en Bonaire geen sterk geïnstitutionaliseerde religie zoals de Santería op Cuba, Vodou op Haïti of Candomblé in Brazilië. Veel tradities verdwenen juist naar de privésfeer.
Juist daardoor zijn ze in geschreven bronnen moeilijk terug te vinden.
Ze zitten volgens Harms in gebruiken binnen families, in verhalen van ouderen, in manieren waarop ziekte of ongeluk wordt verklaard, in beschermende voorwerpen en in rituelen waarvan mensen soms niet eens meer weten dat ze een Afrikaanse voorgeschiedenis hebben.
Denk aan rood-zwarte kralen om de pols van een baby, een kontra of furu ter bescherming, het reinigen van het huis rond de jaarwisseling of Bulamentu di Sensia, waarbij mensen door wierookrook gaan om negatieve invloeden van het afgelopen jaar achter zich te laten.
In koloniale en later ook westerse beschrijvingen werden zulke gebruiken vaak als bijgeloof gerubriceerd. Harms stelt juist die reflex ter discussie.
Geschiedenis die niet op papier stond
Daarvoor moet hij ook afwijken van een tweede Europese gewoonte: de sterke voorkeur voor het geschreven archief.
Veel Afro-Creoolse kennis kwam daar immers nauwelijks in terecht. Als ze wel in koloniale documenten voorkomt, is dat vaak omdat een missionaris, bestuurder, rechter of politiefunctionaris er een probleem in zag.
Harms combineert daarom archieven en wetenschappelijke literatuur met mondelinge geschiedenis en participerende observatie. Hij sprak door de jaren heen met genezers, spirituele specialisten en ouderen en onderzocht rituelen en verklaringen rond dromen, ziekte, ongeluk en voortekenen.
Dat is geen detail in zijn methode. Het is essentieel voor het perspectief van het boek.
Wanneer alleen het koloniale archief als betrouwbare bron wordt geaccepteerd, blijft de kolonisator immers ook eeuwen later bepalen welke stemmen toegang krijgen tot de geschiedschrijving.
Rose Mary Allen, bijzonder hoogleraar Cultuur, Gemeenschap en Geschiedenis aan de Universiteit van Curaçao, vat die inzet in haar voorwoord samen. Zij benadrukt dat Afro-Caribische spiritualiteit in het boek niet wordt behandeld als losse folklore, maar als een samenhangend geheel van ideeën en praktijken.
Geen rechte lijn naar Afrika
Harms beweert daarbij niet dat ieder Curaçaos gebruik rechtstreeks naar één Afrikaans volk of ritueel kan worden teruggeleid.
Integendeel. De spiritualiteit van Curaçao, Bonaire en Aruba ontstond door vermenging: verschillende Afrikaanse tradities kwamen met elkaar in aanraking, ontmoetten het katholicisme en werden later beïnvloed door andere Caribische gebieden. De drie eilanden ontwikkelden bovendien ieder hun eigen varianten.
Dat maakt het begrip ‘echo’ in de titel belangrijk.
Een echo is geen exacte kopie van het oorspronkelijke geluid. Ze verandert onderweg, maar zonder dat oorspronkelijke geluid zou ze er niet zijn.
Een ander verhaal over slavernij
Daarmee raakt Echoes of Africa uiteindelijk aan iets dat verder gaat dan spiritualiteit.
Het boek voegt iets toe aan de Nederlandse geschiedschrijving over slavernij. Tot slaaf gemaakte Afrikanen verschijnen er niet alleen als slachtoffers van geweld en onvrijheid, maar ook als dragers van kennis, religieuze ideeën en sociale praktijken.
Kolonialisme probeerde daar delen van te onderdrukken. Mensen pasten ze aan en gaven ze door.
Sommige daarvan worden op Curaçao meer dan twee eeuwen later nog altijd herkend.
En misschien ligt daarin de belangrijkste Caribische boodschap van het boek aan Nederland. De geschiedenis van de slavernij gaat niet alleen over wat Nederland tot slaaf gemaakte Afrikanen heeft aangedaan. Ze gaat ook over wat zij ondanks dat systeem wisten te behouden
Morgen, woensdag 23 september presenteert Bob Harms zijn boek, om 18:00 uur in de Openbare Bibliotheek Amsterdam (OBA) samen met NiNsee.
