Oud-premier Antillen verwijt Balkenende machtsmisbruik

bron: ANP

WILLEMSTAD - De Antilliaanse oud-premier Don Martina vindt dat premier Jan Peter Balkenende zich schuldig maakt aan ‘machtsmisbruik’. Martina schrijft dit in een open brief die zaterdag in de Antilliaanse krant Amigoe is gepubliceerd.

Nederland stelt Curaçao 1,5 miljard euro ter beschikking om de nationale schuld te saneren op voorwaarde dat de afspraken over onder meer rechtshandhaving worden nagekomen. Dat is volgens de oud-premier in strijd met het Nederlandse bestuursrecht.

De oud-premier schrijft verder dat Nederland steeds schermt met áfspraak is afspraak’ als het Nederlandse belangen en rechten betreft. ‘Maar als het om de belangen en rechten van de Curaçaose bevolking gaat, dan neemt Nederland het niet zo nauw met 'afspraken zijn afspraken’ en de wettelijke regelgeving.' Volgens hem ligt hierin de oorzaak van de steeds groter wordende onvrede op Curaçao over het staatkundig proces.

Balkenende is maandag op Curaçao om akkoorden te ondertekenen in het kader van de staatkundige herstructurering van de Antillen. Martina kondigde aan maandag mee te lopen in een demonstratie tegen het justitieel akkoord dat is overeengekomen tussen Nederland, de Antillen, Curaçao en Sint Maarten. Volgens critici krijgt de Nederlandse minister van Justitie hierin teveel zeggenschap over de procureur-generaal op de Antillen.

‘Alles wat in de staatkundige Ronde Tafel Conferentie destijds is afgesproken en daarna in gang is gezet, is afgestemd met de volksvertegenwoordigingen in alle betrokken landen. En dat komt maandag aan de onderhandelingstafel terug’, zei de woordvoerder van premier Balkenende in een reactie. Balkenende arriveert zondag op Curaçao, op tijd voor het Koninkrijksconcert dat jaarlijks plaatsvindt ter herdenking van het Statuut dat op 15 december in 1954 werd ondertekend in verband met de nieuwe verhouding tussen Nederland en de Nederlandse Antillen.

-------------------------------------

Openbrief aan premier Jan Peter Balkenende
bron: Amigoe


Curaçao, 12 december 2008

Zeer geachte heer Balkenende,


Met bezorgdheid en verontwaardiging heb ik kennisgenomen van het artikel in de Amigoe van woensdag 10 december jl. getiteld: ‘Balkenende: Gelijk oversteken’. Mijn bezorgdheid en verontwaardiging betreffen het door Nederland ingenomen standpunt, dat Curaçao de beschikking krijgt over 1,5 miljard euro ter sanering van de nationale schuld, op voorwaarde dat de afspraken over onder andere ‘rechtshandhaving’ worden nagekomen. Dit standpunt riekt naar machtsmisbruik en is een daad van détournement de pouvoir.

Artikel 3.3 van de Algemene wet Bestuursrecht stelt ‘Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend’. Met andere woorden: de Nederlandse bijdrage tot schuldsanering kan niet gebruikt worden om voorwaarden te stellen op het gebied van bijvoorbeeld de rechtshandhaving. Bovendien draagt dat standpunt mijns inziens niet bij tot een klimaat waarbinnen respect en gelijkwaardigheid dienen te prevaleren en de noodzakelijke ingrediënten in het moeilijke en complexe staatkundige proces.

Daarnaast is er een aantal, voor mij niet aanvaardbare, fouten gemaakt, dat het proces heeft bevuild. Ook daarvoor vraag ik in deze open brief uw aandacht.

Nederland bezigt altijd het gezegde ‘Afspraken zijn afspraken’ en ‘In het openbaar bestuur prevaleert het primaat van de wet’.
Het valt echter steeds weer op, dat ‘afspraken afspraken zijn’, wanneer het Nederlandse belangen en rechten betreft. Maar wanneer het om de belangen en rechten van de Curaçaose bevolking gaat, dan neemt Nederland het niet zo nauw met ‘afspraken zijn afspraken’ en het primaat van de wet.


Ter illustratie een aantal procedurele afspraken dat niet is nagekomen.

1. Als voorzitter van de RTC van 26 november 2005 heeft u met onder andere Curaçao afgesproken, dat het staatkundige herstructureringsproces gefaseerd wordt uitgevoerd via de ontwerpfase en de implementatiefase. De ontwerpfase wordt afgesloten met een RTC. Het doel van die RTC was de criteria waaraan de constitutie, de wetgeving en het overheidsapparaat van het toekomstige Land Curaçao moeten voldoen, te toetsen en bekrachtigen.
Krachtens het Koninklijk Besluit (KB) van 11 november 2005, no. 05.004266 bent u verantwoordelijk voor het bijeenroepen van de RTC. Die RTC heeft u nimmer opgeroepen. De implementatiefase is tengevolge van die omissie aangevangen zonder de ontwerpfase af te sluiten.


2. Punt IV.5 van de Slotverklaring van het Bestuurlijk Overleg van 2 november 2006 te Den Haag bepaalt uitdrukkelijk, dat de overeenstemming tussen Nederland, de Nederlandse Antillen, Curaçao en St. Maarten over de in deze Slotverklaring vervatte punten, over het stappenplan en over het voorstel van de regie zal worden bevestigd in een RTC. Ook deze RTC is nimmer door u opgeroepen, met het gevolg dat tengevolge daarvan de Eilandsraad van Curaçao de kans is ontnomen de gesignaleerde pijnpunten op Koninkrijksniveau te bespreken. Immers, ook de Eilandsraad van Curaçao heeft bij besluit van 3 juli 2007, no. 200731313B, vastgesteld de resultaten van het Bestuurlijk Overleg van 2 november 2006 als basis te hanteren voor verder overleg om te komen tot een RTC.

3. De bij KB van 11 november 2005, no. 05004267 ingestelde Voorbereidingscommissie RTC (V-RTC) is sinds februari 2006 op een dood spoor gezet, waardoor in strijd is gehandeld met artikel 3 van bedoeld besluit. Dat artikel regelt de taak van de V-RTVC, die onder meer inhoudt ‘het monitoren van de uitvoering van de besluiten die op de RTC zijn genomen en het zo nodig aandragen van oplossingen voor gesignaleerde problemen bij de uitvoering’. Met de uitvoering van genoemd KB is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties belast, die in dezen in gebreke is gebleven.

Inhoudelijke afspraken waar het primaat van de wet niet heeft geprevaleerd.


1. Zoals hierboven gesteld is het een algemeen aanvaard bestuurlijk principe dat bestuursorganen hun bevoegdheden slechts mogen toepassen voor de doelen die de wetgever voor ogen heeft gehad bij het vaststellen van een wettelijke regeling. Welnu, artikel 38.2 Statuut strekt tot samenwerking tussen de landen van het Koninkrijk over ‘eigen’ (autonome) aangelegenheden. De toepassing van artikel 38.2 Statuut is nimmer bedoeld geweest om bestuurlijke bevoegdheden aan de Koninkrijksregering te verlenen. Alleen op grond hiervan al is de aanwijzingsbevoegdheid van de Nederlandse Minister van Justitie om namens de Rijksministerraad instructie te geven aan de PG niet rechtstatelijk. Het primaat van de wet had hier moeten prevaleren boven beleidsmatige dan wel politieke opportuniteitsoverwegingen.


2. Bovendien staat de Algemene Wet Bestuursrecht, van toepassing op Koninkrijkswetgeving, mandatering van bevoegdheden niet toe, als er sprake is van collegiale besluitvorming (zie art. 10.3). De aard van de besluitvorming in de Koninkrijksministerraad is bij uitstek collegiaal, omdat zowel aan Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba de gelegenheid geboden moet worden om deel te nemen aan de besluitvorming. Het mandateren van de Nederlandse Minister zoals bedoeld in het ontwerp Rijkswet Openbaar Ministerie ontneemt aan Aruba en de toekomstige landen Curaçao en St. Maarten het uitoefenen van hun statutaire rechten en bevoegdheden.


3. De inhoud van een consensusrijkswet wordt gezamenlijk door de betrokken landen bepaald. Maar het opzeggen van een consensusrijkswet moet de bevoegdheid van de Landwetgever blijven. Immers, de aangelegenheid die de rijkswet regelt, blijft een eigen, autonome aangelegenheid. Daarom is het in onderlinge overeenstemming beëindigen van een consensusrijkswet, zoals vervat in het ontwerp-Consensus Rijkswet Openbare Ministerie, in strijd met artikel 41 van het Statuut.

Door de aanwijzingsbevoegdheid van de Nederlandse minister van Justitie te introduceren voor de Landen Curaçao en St. Maarten en niet voor de Landen Nederland en Aruba verlaat het Koninkrijk het principe van gelijkwaardigheid van de landen en bevolkingen en wordt het belast met een situatie van ongelijkwaardigheid tussen de betrokken landen en volkeren.

4. Ten slotte, het is volstrekt onverstandig het verschil in politieke cultuur in West-Europa en het Caribisch gebied niet in acht te nemen bij het introduceren van een gezamenlijke PG voor de landen Curaçao en St. Maarten en de BES-eilanden. Waar de Nederlandse politiek gekenmerkt wordt door het zogenoemde poldermodel geldt in onze contreien een meer autoritaire bestuurscultuur. Daarnaast hoef je geen deskundige te zijn op het gebied van HRM om te signaleren, dat deze constructie een bron van conflicten in zich bergt. Hierbij wijzen wij op een aantal nadelen van deze opzet:

a. principe van eenheid van leiding wordt verlaten met alle consequenties van dien;
b. overbelasting van de PG als enig coördinatiepunt tussen de verschillende regio’s;
c. problemen bij prioriteitsbepaling voor en tussen de regio’s.
d. belangenverstrengeling bij grensoverschrijdende zaken, waar meerdere regio’s bij betrokken zijn;
e. monopolisering van informatie door en/of bij de PG;
f. de kwaliteit van de PG als coördinerend en sturend orgaan wordt lager.


Bovenstaande punten zijn van zodanig principiële aard dat ik het pakket van afspraken besmet acht, hoewel ik mij met een aantal andere bereikte resultaten kan verenigen dan wel er vrede mee kan hebben. Daarom acht ik het belangrijk en noodzakelijk een beroep te doen op u, in uw hoedanigheid van voorzitter van de Raad van Ministers van het Koninkrijk, om erop toe te zien dat de gemaakte afspraken niet alleen worden nagekomen, maar ook dat het primaat van de wet wordt geëerbiedigd, zodat er waarlijk sprake kan zijn van staatsrechtelijke gelijkwaardigheid tussen de landen van het Koninkrijk in de toekomst. Dit zou er ongetwijfeld toe kunnen leiden, dat de steeds groter wordende verdeeldheid en onvrede op Curaçao vanwege het staatkundige proces kan worden gemitigeerd.

Met hoogachting,
Don Martina
Oud-Minister-President