WILLEMSTAD - Wie denkt dat Curaçao vooral een zonbestemming is met af en toe een politiek incident, leest de gebeurtenissen van de afgelopen maanden verkeerd. Wat zich hier afspeelt, raakt niet alleen een Caribisch eiland, maar de geloofwaardigheid van het Koninkrijk als rechtsgemeenschap. En precies daarom moet dit gelezen worden.
De directe aanleiding is de openlijke botsing tussen minister van Financiën Charles Cooper en de Algemene Rekenkamer Curaçao over het rapport over de jaarrekening 2023. Cooper heeft niet gevraagd om een nuancering of correctie, maar om intrekking van het rapport. Dat lijkt op het eerste gezicht een technisch meningsverschil, maar wie de stukken leest ziet iets fundamentelers: een overheid die zich verzet tegen het idee dat zij gecontroleerd wordt, juist wanneer die controle pijnlijk wordt.
Voor wie Curaçao al langer volgt, komt dit niet uit de lucht vallen. Na de verkiezingen van maart 2025 schreef ik over “de gevaarlijke verleiding van absolute macht”. Niet omdat ik verkiezingswinnaars wantrouw, maar omdat absolute politieke ruimte in een klein bestuurlijk systeem zelden tot meer tegenspraak leidt, en vaak tot minder.
In dat decor speelde eerst stemmentrekker Javier Silvania een hoofdrol, gedragen door een uitzonderlijk persoonlijk mandaat binnen MFK. Hij overspeelde zijn hand, niet alleen door zijn stijl, maar vooral omdat achter hem krachten schuilgaan die groter zijn dan een partij of minister kan dragen.
Belastingdienstaffaire
Die krachten werden zichtbaar in de belastingdienst-affaire. Niet als op zichzelf staand incident, maar als symptoom. Onderzoeken en mediaberichten maakten duidelijk dat bij de Curaçaose belastingdienst jarenlang afspraken buiten de boeken bleven, dossiers via privékanalen liepen en controle structureel tekortschoten.
De landsontvanger Alfonso Trona lijkt tot nu toe vrijwel ongeschonden uit deze storm te komen. Zijn macht ligt niet in zijn formele positie, maar in zijn kennis: wie weet waar het geld blijft en wie profiteert, bezit een sleutel tot politieke overleving.
Het verontrustende is niet alleen wat er mogelijk is misgegaan, maar dat het parlement – de Staten – al jaren moeite heeft om die processen werkelijk te doorgronden en te controleren. Curaçao kent formeel een democratisch stelsel, maar de praktijk is dat parlementaire controle een zorgenkind is. In dat vacuüm groeit een bestuursstijl waarin de regering opereert als de shon van het koloniale weleer: niet primair rekenschap afleggend, maar gezag uitoefenend.
Algemene Rekenkamer
En precies in die context moet de aanval op de Algemene Rekenkamer worden gelezen. Het rapport over de jaarrekening 2023 is vernietigend. Miljarden aan overschrijdingen, fouten en onzekerheden, en een conclusie die in Nederland onmiddellijk politieke gevolgen zou hebben: de jaarrekening geeft geen betrouwbaar beeld van de financiële positie van het Land. Dat is geen boekhoudkundige muggenzifterij. Dat is een oordeel over de bestuurbaarheid van de staat.
De reactie van Financiën-minister Cooper is daarom veelzeggend. Hij betwist niet alleen onderdelen, maar vraagt om intrekking van het rapport. Daarmee verschuift hij de discussie van “kloppen de cijfers?” naar “wie mag deze cijfers beoordelen?”. Dat is geen technisch verschil van inzicht, maar een institutionele botsing.
Wie het rapport leest, ziet dat de Rekenkamer het regeringsweerwoord niet heeft genegeerd, maar uitvoerig heeft besproken en beantwoord. Dat zij daarna haar conclusies handhaaft, is geen gebrek aan zorgvuldigheid, maar de essentie van onafhankelijk toezicht. Toezicht is geen service-instantie van de regering, maar een tegenmacht. Zodra een regering die tegenmacht probeert te neutraliseren door haar gezag ter discussie te stellen, betreedt zij gevaarlijk terrein.
Oud-politiek reflexmechanisme
Het patroon is herkenbaar. Eerst wordt de ernst van problemen geminimaliseerd. Dan verschuift de focus naar procedure, toon en “onzorgvuldigheid”. En uiteindelijk wordt de instantie die de misstanden benoemt zelf het probleem. Het is een oud politiek reflexmechanisme, en zelden een teken van bestuurlijke kracht.
Wat mij persoonlijk verontrust, is niet dat Cooper het oneens is met de Rekenkamer. Dat mag en moet. Wat mij verontrust, is dat hij geen overtuigend weerwoord geeft op de kern: dat Curaçao’s financieel beheer structureel tekortschiet. Geen helder plan, geen erkenning van de ernst, geen zichtbare prioriteit om het systeem te herstellen. Alleen een aanval op de boodschapper.
Voor Nederlandse lezers is dit geen exotisch Caribisch schouwspel. Curaçao is geen buitenland, maar een land binnen het Koninkrijk. Dat betekent dat hier niet alleen lokale politieke belangen spelen, maar ook de geloofwaardigheid van gedeelde rechtsstatelijke normen. Als een land binnen het Koninkrijk langzaam went aan een bestuurscultuur waarin toezicht als last wordt ervaren in plaats van als noodzakelijke waarborg, raakt dat het hele staatsverband.
Het Koninkrijk hoeft Curaçao niet te “besturen”, maar het mag en moet wel meelezen. Niet met koloniale reflexen, maar met constitutioneel bewustzijn. Want financiële chaos, verzwakte parlementaire controle en een regering die zich afzet tegen onafhankelijk toezicht vormen samen een gevaarlijke cocktail.
De echte vraag is daarom niet of de Rekenkamer hier gelijk heeft op detailniveau. De echte vraag is of Curaçao bereid is te accepteren dat controle pijn mag doen. Dat transparantie ongemakkelijk mag zijn. En dat macht alleen legitiem is zolang zij zich laat begrenzen.
Als dat antwoord ontkennend wordt, dan is het niet alleen Curaçao dat een probleem heeft. Dan heeft het Koninkrijk een probleem. En daarom moet u dit lezen.
