Marine en VKC bijna 90 jaar op Curaçao

Venezolaanse revolutionairen pleegden op zaterdagavond 8 juni 1929 onder leiding van Rafael Simón Urbina en Antonio Machado een overval op het Waterfort in Curaçao. Doel was het buit maken van wapens en munitie waarmee een staatsgreep in Venezuela zou kunnen worden gepleegd. De revolutionairen vertrokken diezelfde nacht nog met het door hen in beslag genomen Amerikaanse schip S.S. Maracaibo naar Venezuela, waarbij ze onder meer gouverneur Leonardus Albert Fruytier en garnizoenscommandant Borren als gijzelaar meenamen. Bij aankomst in Venezuela werden de gijzelaars vrijgelaten. De opstand tegen dictator Juan Vicente Gómez mislukte, maar Urbina en Machado ontkwamen. De overval op het Waterfort was de directe aanleiding om het Vrijwilligerkorps Curaçao, het VKC op te richten.

door Maritiem Museum

In februari 1929 bezocht de Costa Ricaan Pedro Bonilla, Curaçao en op 1 juni van datzelfde jaar bezocht de Mexicaan Carlos Martinez het eiland; het was één en dezelfde persoon: Rafael Simón Urbina. Volgens eigen zeggen werd Urbina in 1897 geboren “uit een geslacht van dappere lieden”. Hij was in 1929 32 jaar oud. Al heel vroeg was Urbina betrokken bij een tegen het bewind van de president-dictator Juan Vicente Gómez gerichte beweging. Zijn studie aan de militaire academie heeft hij nooit voltooid en generaal in het Venezolaanse leger is hij nooit geweest. 

De Venezolanen op Curaçao waren in twee groepen te verdelen: Venezolaanse patriotten die niets anders wilden dan Venezuela verlossen van dictator Gómez en Venezolaanse communisten die hetzelfde wilden, maar communistische nevenoogmerken hadden. Aanhangers van Gómez schijnen er hier niet, of niet in groot aantal, te zijn geweest. 

In januari 1929 werd gouverneur Brantjes opgevolgd door Leonardus Albert Fruytier. Op Curaçao aangekomen, moest gouverneur Fruytier geattendeerd zijn op de situatie in Venezuela en het gevaar daarvan voor Curaçao. De treurige staat waarin de politie verkeerde zal hem daarbij niet zijn ontgaan, want hij vroeg terstond om aanvulling van het politiepersoneel. 

Revolutionaire dreiging 
In verband met de op handen zijnde presidentsverkiezingen in Venezuela drong Fruytier tevens aan op een vervroegde zending van het beloofde oorlogsschip. In die jaren werd Curaçao weliswaar regelmatig door Nederlandse marineschepen aangedaan, maar van een permanent op de Antillen gestationeerd schip was nog geen sprake. 

Op 11 mei 1929, toen het beloofde oorlogsschip er nog niet was, maakte de directiesecretaris van de Shell de kwestie weer aanhangig in de koloniale raad. Deze drong in verband met het dreigend gevaar aan op onverwijlde zending van een oorlogsschip, want zowel in augustus 1928 als in mei 1929 was Venezuela het toneel van revolutionaire woelingen. 

Urbina was na zijn vertrek in 1928 uit Curaçao na vele omzwervingen tenslotte in Costa Rica terecht gekomen. Hier wist hij een paspoort te krijgen ten name van Pedro Bonilla. Maar in Panama werd hem zijn Costa Ricaanse paspoort afgenomen. In datzelfde Panama kreeg hij van de consul een paspoort ten name van Carlos Martinez. “Carlos Martinez” arriveerde op 31 mei of 1 juni 1929 op Curaçao. 
Simon Rafael Urbina en Gustav Machado,
de overvallers op de gouverneur van Curaçao, 1929
Inmiddels had men op Rio Canario-Suffisant plannen uitgebroed onder leiding van Gustavo Machado. Er kan niet met zekerheid gezegd worden hoe Urbina de leider van de bende is geworden. Zelf schrijft hij dat zijn landgenoten uit Coro hem als leider eisten. Machado schrijft dat hij de intitiatiefnemer tot de coup was en men wilde zich op het kapitalistisch geregeerde Curaçao van wapens voorzien. 

Dreiging van buiten 
Met het van buiten dreigende gevaar hielden de autoriteiten op Curaçao rekening. Men was daarvan op de hoogte en vreesde zelfs, getuige het verzoek van gouverneur Fruytier. Nu werd de toestand zo alarmerend, dat Fruytier opdracht gaf een memorandum op te stellen, waarin de urgentie van politieversterking werd aangetoond. Men wilde maatregelen treffen om, als er door het geharrewar in Venezuela moeilijkheden voor Curaçao zouden ontstaan, daaraan het hoofd te kunnen bieden. De beschikbare militaire macht en de militaire politie waren, gezien haar aantal en haar gehalte daartoe zo goed als niet in staat en daarom riep men de hulp van Nederland in.

Dreiging van binnen

De dreiging van buiten is nooit werkelijkheid geworden. Dat er evenwel op Curaçao gevaar dreigde, was men zich niet bewust omdat men over te weinig goed geschoolde politie beschikte. Die bovendien niet voor haar taak berekend was om onder meer toezicht te houden op het doen en laten van de op Curaçao vertoevende vreemdelingen. 

De autoriteiten in Nederland waren blijkbaar doof gebleven voor klachten en verzoeken hieromtrent. Dit verklaart hoe Urbina op Rio Canario deelnemers voor de overval kon verzamelen, zonder dat hiervan in Willemstad iets bekend werd. 


De hoofdwacht van politie poseert voor het
wachtgebouw van het Waterfort op Curaçao, 1929
De overval 
Zaterdagavond 8 juni 1929 tussen 21.15 en 21.30 uur raasden twee vrachtauto's met ongeveer 45 man de stad door en reden de openstaande poort van het Waterfort binnen. Enige tijd voor de overval was het hoofdbureau van politie, op advies van garnizoenscommandant, tevens commandant van de militaire politie kapitein Borren, overgebracht naar het Waterfort. De procureur-generaal had dit goed gevonden op voorwaarde dat het politiebureau toch dag en nacht voor de burgerij toegankelijk zou zijn. De toegangspoort van het Waterfort was daarom altijd open en bestond toen uit twee grote ouderwetse poortdeuren, waarvan in één poort een eenmanspoortje was. 

Men zou verwachten dat 's nachts alleen het kleine poortje open zou zijn, maar het was gebruikelijk de gehele poort open te laten. Dit werd Borren later in het proces ernstig verweten, want daardoor konden de auto's in volle vaart binnenrijden en het fort bij verrassing nemen. Een van de chauffeurs van de met Venezolanen geladen trucks werd gesommeerd beter uit te kijken omdat hij zojuist het motorrijwiel van brigadecommandant Vaas omver had gereden. Toen dit gebeurde sprongen de Venezolanen, die gewapend waren met kapmessen en twee met automatische pistolen, van de wagens, overvielen de wacht, sabelden sergeant-majoor Vaas neer en verwondden twee Surinaamse politieagenten. 

Tegelijk vloog een tweede groep de eetzaal binnen, waarbij sergeant Marcusse op het hoofd werd geslagen waardoor hij de volgende dag overleed. Een derde groep ging naar de slaapzaal. Urbina zelf kende de weg, want blijkbaar had hij in 1928 zijn ogen goed de kost gegeven. Verspreid over de afdelingen bevonden zich op het moment van de overval 26 politiemensen en negen militairen. 


De langs de kade in Willemstad afgemeerde S.S. Maracaibo,
waarmee de Venezolaanse revolutionairen na de overval op Curaçao
met de gegijzelde gouverneur Fruytier naar Venezuela voeren
om daar een staatsgreep te plegen
Bedreiging
Voor zover dit mogelijk was, werd flink tegenstand geboden, maar de overmacht was te sterk. Een andere groep Venezolanen drong intussen het munitiemagazijn binnen en roofde geweren en munitie. Behalve Vaas en Marcusse, sneuvelde ook brigadier van Zuilen; drie militairen en drie burgers raakten gewond. Kapitein Borren werd telefonisch gewaarschuwd. Hij kwam per auto, werd bij aankomst gevangen genomen en werd later bij Urbina gebracht. 

Daar kreeg hij te horen dat, indien men Urbina met zijn manschappen en de buit aan wapens en schietvoorraad rustig liet vertrekken, verdere overlast achterwege zou blijven. Zo niet, dan zou de raffinaderij in brand worden gestoken. Kapitein Borren begaf zich hierna naar de gouverneur en adviseerde hem om Urbina zo spoedig mogelijk te laten vertrekken voordat Urbina de kans kreeg zijn dreigementen van brandstichting, plundering e.d. uit te voeren. Borren's argumenten waren: er zijn geen wapens, geen munitie, de manschappen zijn verspreid en het gevaar is te groot iets te riskeren. 

Om half twaalf bezocht Urbina zelf, met kapitein Borren, vier gewapende bendeleden en een Curaçaose tolk de gouverneur. De tolk verklaarde dat Urbina geen gebruik wilde maken van een door de gouverneur aangeboden Nederlands schip, maar dat hij wilde vertrekken met de Maracaibo van de Duitse D-line. Hij verzocht de gouverneur diens medewerking, zo niet, dan zou de raffinaderij in brand worden gestoken. Fruytier zegde zijn medewerking toe en bepaalde dat er niet meer op de Venezolanen geschoten mocht worden. 


Gijzelaars
Even na 12 uur 's nachts verliet de Maracaibo de haven nadat de machinist van de Emmabrug onder bedreiging was gedwongen de brug te openen. Om te voorkomen dat er alsnog geschoten zou worden zodra de Maracaibo de St Annabaai uitvoer, dwong Urbina Fruytier en Borren, alsmede drie gevangen militairen, als gijzelaars mee te gaan. 

De buit bestond uit 197 geweren, vier mitrailleurs, één veldkijker, 38 pistolen, 75 klewangs, 7000 patronen, 150 kardoezen en vier sluitstukken van de saluutbatterij, wat kapmessen en ledergoed, en 3500 gulden uit de kas van de vreemdelingendienst. 

Bij de kust van Venezuela werden de reddingsboten gestreken en gingen de bendeleden aan wal. Urbina gaf bij zijn vertrek opdracht om Fruytier en Borren te doden. Machado verbood echter deze order uit te voeren, aangezien het plan was geslaagd en het doden geen zin had. Een en ander geeft een aanwijzing over de positie van Machado. Meteen nadat de Maracaibo op de terugreis was, werd in opdracht van Fruytier de Venezolaanse regering in Caracas telegrafisch op de hoogte gebracht van het gebeurde, de landing, het aantal opstandelingen en welke wapens de bende had. De aanslag op de Venezolaanse regering mislukte, maar Urbina en Machado ontkwamen. 

Reactie in Nederland 
De berichtgeving kwam in Nederland wel op een heel erg ongelukkig moment aan. De extra edities van de kranten die het gebeurde verhaalden, werden in Amsterdam uitgevent toen de huldiging van koningin-moeder Emma zou plaats vinden. De berichtgeving zelf leek nergens naar, want in 1929 waren er op Curaçao geen journalisten om het nieuws vakkundig over te seinen. 

De ontvoering van de gouverneur trok daarbij de volle aandacht. De officiële berichten hebben lang op zich laten wachten en waren, toen men ze eenmaal vernam niet altijd het bewijs dat de Nederlandse autoriteiten bijzonder op de hoogte waren met de Curaçaose zaken. Nog vreemder was dat de regering het ongewenst achtte dat de verslagen van de gouverneur en de troepencommandant, openbaar werden gemaakt. 


Aflossing van de marinierswacht voor het paleis van de Gouverneur,
Willemstad, Curaçao, na de overval op Urbina, 1929
Korte tijd later werd de inmiddels afgetreden gouverneur door minister-president Ruys de Beerenbrouck opgedragen „in 's lands belang voorlopig te zwijgen‟. Er werd een commissie van onderzoek naar Curaçao gezonden waarin twee gepensioneerde Oost-Indische ambtenaren werden benoemd die Curaçao niet kenden. Het bekend gemaakte deel van hun rapport vertelt niet veel anders dan hoe de feiten zich hebben toegedragen. 

Een van de meest typerende reacties was een enquête die in 1930 onder de eerstejaars studenten te Utrecht werd gehouden. Op de vraag „Wie was Urbina?‟, werd o.a. geantwoord: een heilige, een Romeins generaal, een Argentijns dictator, een Spaans dictator, een Romeinse keizerin, de president van Mexico, een schoonheidskoningin, een Mexicaans legeraanvoerder, een Romeinse vrouw. 

Op 11 juni, twee dagen na dato, vertrok Hr. Ms. Kortenaer “met spoed” naar Curaçao. Sindsdien is permanent een schip van de koninklijke marine in de Nederlandse Antillen gestationeerd. Onder de indruk van de gewapende overval door Urbina en de zijnen, werd op 23 juni 1929 het Vrijwilligers Korps Curaçao (VKC) opgericht.


VKC actief tijdens rechtszaken zware criminaliteit

Machenka Pietersz is de jongste aanwinst van het VKC. Zij werd bevorderd tijdens de plechtigheid
ter gelegenheid van het 88-jarig bestaan van het VKC.