maandag 14 mei 2018

De erfenis van Chávez: van nationalisatie tot bedelstaf



Het conflict tussen ConocoPhillips en PdVSA vloeit volgens de Amerikanen voort uit de vermeende onwettige confiscatie van de belangen van het Amerikaanse bedrijf in twee projecten, de zogenaamde EHCO-joint ventures in Venezuela: het Petrozuata-project en het Hamaca-project. Venezuela zou de wettelijke afspraken en contractuele verplichtingen met gestelde garanties niet zijn nagekomen door de nationalisatiepolitiek van Hugo Chàvez.

Het staat te lezen in de arbitrage-ruling van het ICC. De ontdekking van de olievoorraden van Venezuela en hun winning door buitenlandse oliemaatschappijen begon rond de jaren '20 in de vorige eeuw. In 1943 voerde Venezuela bepaalde maatregelen uit, zoals de Hydrocarbons Law, die als doel had investeerders een stabiele basis te bieden en investeringen te stimuleren. De EHCO-reserves waren weliswaar ontdekt, maar werden niet geëxploiteerd omdat de kosten hoog waren en de technologische kennis in het land niet aanwezig was om de olie te extraheren, te transporteren en te verwerken tot een verhandelbare grondstof .

Ein jaren vijftig veranderde de houding van Venezuela en groeide het geloof dat de natuurlijke rijkdom tot het land en het land alleen behoorde. In 1975 nam Venezuela de Nationalisatiewet aan. Op grond van deze wet werden alle bestaande olieconcessies ten gunste van buitenlandse oliemaatschappijen geannuleerd. Alle activiteiten gerelateerd aan de exploratie, exploitatie, productie, raffinage en marketing van olie waren vanaf dat moment voorbehouden aan de Staat.

De Nationalisatiewet 1975 voorzag ook in de oprichting van Petróleos de Venezuela, S.A. (PdVSA), een nieuw staatsbedrijf en een gecontroleerd nationaal oliebedrijf die verantwoordelijk zou zijn voor de ontwikkeling en het beheer van alle olie-activiteiten in Venezuela.

Private deelname
De enige beperkte concessie voor private deelname aan de olie-industrie werd geregeld in artikel 5 van de Nationalisatiewet van 1975. Deze bepaling stond deelname van particuliere entiteiten in de olie-industrie toe, via associatieovereenkomsten tussen PdVSA en haar dochterondernemingen
aan de ene kant en de particuliere entiteiten aan de andere kant. Voorwaarde was wel dat de verenigingen de voorafgaande toestemming nodig hadden van het Venezolaanse Congres.

PDVSA werd verantwoordelijk voor de exploratie en ontwikkeling van de ongebruikte EHCO-reserves. Maar erg succesvol was dat niet. De maatschappij had voor het volledig exploiteren van deze enorme reserves de financiële en technische middelen niet.

Oil resources in the Orinoco. Blauw: Orinoco Oil Belt Assessment Unit.
Rood: East Venezuela Basic Province. (Courtesy U.S. Geological Survey.)
In de jaren negentig, toen de olieproductie fors daalde, nodigde Venezuela buitenlandse oliemaatschappijen, waaronder ConocoPhillips, uit om joint ventures aan te gaan voor
de ontwikkeling van de EHCO-reserves in de Orinoco-olievelden in Venezuela.

Het aantrekken van buitenlandse investeringen verliep niet zonder problemen vanwege de nationalisatie in 1975. Buitenlandse investeerders hadden grote zorgen over de onteigening en het wispelturig overheidsbeleid. Zij zagen daarin grote technische en commerciële risico's.

Apertura Petrolera
Om die bezorgdheid weg te nemen, bood de overheid investeerders financiële prikkels aan om
hun investeringen commercieel aantrekkelijker te maken. Zoals een verlaagd inkomstenbelastingtarief en een verlaagd royalty-tarief. Samen met andere wettelijke bescherming tegen overheidsmaatregelen die de investeringen konden schaden. Dit werd bekend onder de naam Apertura Petrolera (Oil Opening) in Venezuela. De wettelijke basis voor de Apertura Petrolera was artikel 5 van de Nationalisatiewet van 1975.

Het Venezolaanse Congres vormde vervolgens een Tweekamercommissie die de structuur zou definiëren voor die fiscale prikkels ten behoeve van alle buitenlandse investeringen in de Orinoco Oil Belt. In 1993 resulteerde dat in een rapport met een aantal aanbevelingen:
  1. Vrijstelling van de 67,7% inkomstenbelastingtarief dat van toepassing was op PdVSA en in plaats daarvan het veel lagere tarief toepaste tarief vennootschapsbelasting; 
  2. Lagere royaltytarieven voor de eerste jaren van de associaties;
  3. Buitenlandse bedrijven kregen een meerderheidsaandeel in de associaties.
In de daaropvolgende jaren implementeerde het Venezolaanse Congres de aanbevelingen van de commissie. De belangrijkste waren :
  1. Herziening van de wet op de inkomstenbelasting waardoor associaties in de Orinoco-olievelden maar 34% vennootschapsbelasting hoefden te betalen. Terwijl voor lokale bedrijven in de oliesector een belastingtarief van 67,66% gold.
  2. Herziening van de royaltytarieven, waarbij associaties (a) de eerste negen jaar van de commerciële productie maar 1 % hoefden af te dragen, of (b) totdat het project inkomsten had gegenereerd die drie keer hoger waren dan de totale investering in het project. Na afloop van deze periode zou het tarief gelijkgeschakeld worden voor iedereen op 16,66%.
Gelijktijdig met deze maatregelen en in lijn met artikel 5 van de Nationalisatiewet uit 1975 keurde het Venezolaanse Congres de twee projecten (Petrozuata- en Hamaca-project) goed. Daarin werden ook de voorwaarden opgenomen voor uitvoering van die projecten. Een van de belangrijkste was de erkenning dat de overheid ten alle tijde en met eigen inzicht de autoriteit zou houden om in te grijpen, maar dat in zulke gevallen de buitenlandse investeerders beschermd zouden worden en recht zouden hebben op schadeloosstelling door PdVSA of zijn dochterondernemingen. Zulks ter beoordeling van bestaande arbitragecommissies.

Het was tegen deze achtergrond dat de partijen onderhandelden over de associatie-overeenkomsten voor Petrozuata en Hamaca. ConocoPhillips stelt zich op het standpunt dat de bovengenoemde fiscale prikkels nodig waren om hen in staat stellen de financiering van de projecten veilig te stellen.

Petrozuate-contract
Op 10 november 1995 werd de Petrozuata-associatieovereenkomst (Petrozuata AA) gesloten tussen PdVSA Petróleo (een dochteronderneming van PdVSA) en CPZ, dochter van ConocoPhillips. Op dezelfde datum tekende PdVSA de Petrozuata Guaranty ten gunste van CPZ. Dat vormde in wezen een garantie op naleving van de verplichtingen die PdVSA Petróleo op zich nam in de Petrozuata AA.

Lake Charles Refinery, Louisiana
ConocoPhillips stelde zich in deze overeenkomsten ten doel om extra zware ruwe olie te produceren, te transporteren en te upgraden en de vrijgekomen producten via verkoop in de markt te zetten. Daarvoor werd nog een contract gesloten, waarbij geregeld werd dat de syncrude geraffineerd zou worden in de ConocoPhillips Lake Charles Raffinaderij in Louisiana. Volgens de Amerikanen werd er destijds miljarden dollars geïnvesteerd in de onderneming in Venezuela, inclusief de bouw van upgrade-faciliteiten en een pijpleiding infrastructuur in 1997. Een jaar later investeerde ConocoPhillips nog enkele honderden miljoenen dollars om zijn Lake Charles Refinery aan te passen
zodat het de zware Petrozuata-syncrude kon verwerken.

De start van het Petrozuata-project in april 2001 was zeer succesvol. 35 jaar lang zou ConocoPhillips in Venezuela olie produceren onder aantrekkelijke fiscale regels voor de eerste 10 jaar. De associatieovereenkomst voor het Hamaca werd op 9 juli 1997 gesloten onder bijna dezelfde voorwaarden en die start was in oktober 2004.

De definitieve tekst van de Hamaca AA werd ook goedgekeurd door het Venezolaanse Congres op 11 juni 1997. Zowel Petrozuata AA als Hamaca AA bevatte bepalingen die ConocoPhillips vrijwaarde tegen nadelige acties door de regering: Deze bepalingen regelden dat ConocoPhillips recht zou hebben op compensatie, mochten die maatregelen een nadelige invloed hebben op de kasstromen van het project.

Hugo Chávez
In december 1998 werd Hugo Chávez tot president van Venezuela gekozen. Als onderdeel van zijn
Bolivariaanse revolutie gaf hij meteen zijn afkeer aan van de Apertura Petrolera. De hervorming van de olie-industrie en daarmee het veiligstellen van deze hulpbron ten behoeve van Venezuela en zijn mensen werd een van de belangrijkste doelen van Chávez.

Als eerste stap vaardigde hij in 2001 de Hydrocarbons-wet uit, die bepaalde wijzigingen aangebracht in het regime onder de Hydrocarbons-wet van 1943 en de Nationalisatie-wet uit 1975. Deze nieuwe wet vormde de basis voor alle overige aanpassingen later en waren vooral gericht op het aanpakken van de fiscale voordelen voor de EHCO-projecten. Tegelijkertijd ondernam de regering van Chávez ook stappen om hun controle over PdVSA te vergroten.

Oppositie tegen deze en andere voorgestelde hervormingen leidden tot politieke conflicten in het land, waaronder een mislukte staatsgreep in april 2002 en een staking van PdVSA in december
2002, die 3 maanden duurde en in februari 2003 werd beëindigd met het ontslag van
18.000 PdVSA-medewerkers (ongeveer 1/3e van het personeelsbestand van PdVSA).

Na de benoeming van Rafael Ramírez als president van PdVSA en de minister van Energie en Mijnen nam de regering een reeks van maatregelen die uiteindelijk leidde tot de nationalisatie van de investeringen van ConocoPhillips in mei 2007. Dat gebeurde via een decreet van Nationalisatie een paar maanden eerder. Het plaatjee zag er inmiddels zo uit:
  1. In oktober 2004 trok de regering de 1% royaltyregeling in. Het nieuwe tarief werd verhoogd naar 16,66%;
  2. In mei 2006 voerde de regering een belasting in, die het royaltytarief voor de projecten naar 33,33% tilde met de zogenaamde Extractie Tax;
  3. In oktober 2006 nam de regering een wet aan die regelde dat het inkomstenbelastingtarief voor EHCO-projecten werd verhoogd van 34% naar 50% (Wet op de inkomstenbelasting); 
  4. In februari 2007 vaardigde de regering een decreet uit dat de rechten teniet deed van alle bestaande associaties. Zij werden gedwongen op te gaan in empresas mixtas, gemengde ondernemingen die ten minste voor 60% eigendom waren van PdVSA (Nationaliseringsdecreet 2007);
  5. In mei 2007, nadat overleg tussen alle betrokken partijen tot niets leidde, werd ConocoPhillips ontzet en opzij gezet. Dit alles op basis van het Nationaliseringsdecreet 2007.
Chavista's in Caracas
De Amerikanen zijn er nu van overtuigd dat bovengenoemde maatregelen gecoördineerd zijn
uitgevoerd met de bedoeling de Apertura Petrolera te begraven. Dat wordt voolgens hen ook ondubbelzinnig duidelijk in een toespraak van Hugo Chávez in 2007. Daarin zei hij dat de Apertura niets anders was dan een grotesk project om het land Venezuela weg te geven aan een gigantisch monster.

Chávez speech
"In 2004 begonnen we een proces van geleidelijk herstel van de soevereiniteit van olie. In oktober van dat jaar hebben we het bedrag van de royalty's voor de koolwaterstoffen in de Belt herstelt, dat wil zeggen, wat ze in andere gebieden betaalden, 16,66%. [...] Dit was de eerste maatregel die we namen, in de Belt [...] Deze maatregel voor het nemen van de royalty van 1% naar 16,66%, [...] betekende, elk jaar, een extra injectie van US $ 1,9 miljard. Let op, zodat we dit allemaal optellen: US $ 1,9 miljard, wat de Amerikanen eerst wegnamen, maar nu niet meer, nu de Belastingdienst is gekomen. Stap een.
Stap twee: op 24 juni van het volgende jaar, 2005, stelden we de royalty op 30% op de extra productie hier in de Belt, omdat de Amerikanen meer produceerden dan was overeengekomen. Dus we zeiden, wel, 16,6 voor de productie vastgelegd in de oude overeenkomsten. Maar sinds de nieuwe petroleumwet die we in 2001 hebben aangenomen vestigden we een olie-royalty niet van 16,6, maar 30%, wat een redelijke royalty is. We zeiden: je betaalt 30% over de meerproductie, volgens de nieuwe wet. Nou, weet je hoeveel royaltyinkomsten, inkomsten naast het vorige inkomen, de US $ 1,9 miljard werd? Voeg toe aan de US $ 1,9 miljard, een extra bedrag van $ 1,6 miljard, elk jaar. [...]. 
Stap drie: in mei 2006, een jaar later, hebben we de extractiebelasting opgelegd. Drieëndertig en een derde procent, dat wil zeggen, 33,3%, gelijk aan het royaltytarief, toepasbaar op alle olieprojecten in het land [...] De extractiebelasting, deze verhoogde belastinginning zorgt voor een extra $ 400 miljoen per jaar. Hoeveel is dat? $ 3,5 miljard + $ 400 miljoen, $ 3,9 miljard per jaar. [...].
Stap vier: In oktober 2006 voerden we een inkomstenbelasting in, een andere belasting op winst is, op inkomen [...]. Niet de gebruikelijke 34% maar 50%, want olie is een waardevol product. [...] Weet je hoeveel dat oplevert als extra jaaromzet? US $ 1,1 miljard meer. Hoeveel hebben we tot nu toe? Vijf miljard dollar door slechts vier wetgevende maatregelen. [...]. 
Welnu, we zitten op vijf miljard. Stap vijf, op 26 februari 2007, vestigden we de
nationalisatie van deze bedrijven per decreet in de Orinoco Belt. De oude bedrijven die in handen waren van de multinationale bedrijven. PdVSA had een belang, maar een minderheidsbelang. Dat , hebben we hersteld. [...] We zijn gegaan van 40 naar 78%, bijna verdubbeld, dus bijna 80%, dat vertegenwoordigt meer inkomen voor het land. Inkomsten door deze maatregel leverde US $ 800 miljoen per jaar boven op het totaal, vanwege deze vijf maatregelen om de soevereiniteit te herstellen, hebben we ons weer hersteld van de inkomsten van US $ 5,8 miljard. [...]"
Volgens ConocoPhillips leidden de maatregelen van Chávez toen tot de verplichting om de maatschappij te compenseren onder de bepalingen van de AA's nu. Ten tweede en los daarvan ontstaat er ook een burgerlijke aansprakelijkheid van de actoren onder de Venezolaanse wet voor het opzettelijk schending van de associatieovereenkomsten, die tot de uiteindelijke onteigening heeft geleid.

-0-0-0-

'Politiemensen opvoeden dat vreemdelingenbeleid iets anders is dan boeven vangen'

Mr. Myra Biegelaar en professor mr. Lodewijk Rogier  Curaçao heeft een probleem met attitude in de vreemdelingenketen. Dat zegt professo...